Dag 1 – Aankomst in Freiburg
Na een lange rit naar het Zwarte Woud over de snelwegen van Zuid-Duitsland reed ik in de middag eindelijk Freiburg binnen. De stad lag in een vallei, omringd door groene heuvels die aan de horizon steeds donkerder kleurden. Het voelde alsof ik langzaam een andere wereld binnenreed – rustiger, groener, schoner.
Mijn pension lag net buiten het centrum, aan de rand van het bos. Het was een traditioneel huis met houten balkons vol bloembakken. De eigenaresse, een vriendelijke vrouw van middelbare leeftijd, heette me welkom met koffie en zelfgebakken Schwarzwälder Kirschtorte. De lucht was fris, en ergens in de verte hoorde ik het zachte geruis van een beek.
Na het uitpakken wandelde ik het centrum van Freiburg in. De stad had een charmante, bijna mediterrane sfeer, met zijn geplaveide straten, terrassen en fietsstromen. Op het plein bij de Münster dronk ik mijn eerste Duits biertje in de zon. De klokken luidden, en even voelde ik me volledig los van alles thuis.
Dag 2 – Wandeling door het bos bij Hinterzarten
Ik begon de dag vroeg, met een stevig ontbijt van brood, kaas, eieren en sterke koffie. Daarna reed ik richting Hinterzarten, een dorpje midden in het Zwarte Woud. De weg kronkelde omhoog tussen dichte bossen, waar de zon af en toe door het bladerdak brak.
Ik volgde een wandelroute die me door het Löffeltal voerde, een dal vol beekjes en watervalletjes. Het geluid van stromend water begeleidde me de hele weg. De lucht rook naar dennen en nat hout, en af en toe kwam ik iemand tegen die vriendelijk Grüß Gott zei.
Halverwege de route vond ik een houten hut waar ik kon zitten. Ik haalde brood, kaas en appels uit mijn rugzak en at in stilte, terwijl ik uitkeek over het dal. Er was alleen het geruis van de wind en het gefluit van vogels. Het voelde alsof de tijd even stil stond.
Toen ik ’s middags terugkeerde naar het dorp, dronk ik koffie op een terras en keek naar wandelaars die uit alle richtingen kwamen. Mijn benen waren moe, maar mijn hoofd voelde leeg en rustig – een soort kalmte die je in steden nooit echt vindt.
Dag 3 – De Titisee en de eerste regen
Die ochtend werd ik wakker met het zachte geluid van regen. De bergen waren in nevel gehuld, de lucht vochtig en koel. Ik besloot ondanks het weer naar de Titisee te rijden, een van de bekendste meren van het Zwarte Woud.
Toen ik aankwam, lag het meer als een spiegel tussen de bergen. De regen was zacht, meer een nevel dan echte druppels. Ik wandelde langs het water, onder hoge sparren die druppels opvingen alsof ze fluisterden. Af en toe kwamen kleine bootjes voorbij, bedekt met een dun laagje mist.
Ik schuilde in een houten café aan de oever, waar de ramen beslagen waren. Binnen was het warm en rook het naar koffie en gebak. Ik bestelde opnieuw Schwarzwälder Kirschtorte – het leek hier bijna een verplicht ritueel – en raakte in gesprek met de eigenaar, die me vertelde dat de herfst zijn favoriete seizoen was. “Dan is het bos goud,” zei hij glimlachend.
In de namiddag trok de regen weg, en verscheen er een zwakke zon boven het meer. Ik bleef nog even zitten aan het water en luisterde naar de stilte die volgde nadat de regen ophield.
Dag 4 – Triberg en de watervallen
Vandaag stond Triberg op het programma, bekend om zijn watervallen en koekoeksklokken. De rit erheen voerde door dichte bossen, kleine dorpen en velden vol bloemen. Toen ik aankwam, hoorde ik al van ver het geluid van het vallende water.
De wandeling naar de watervallen was steil maar indrukwekkend. Het water stortte in trappen naar beneden, omringd door varens en mos. Ik bleef vaak stilstaan om te kijken – naar de kracht van het water, de nevel die omhoog steeg, het spel van licht tussen de bomen.
In het dorp zelf liep ik langs winkels vol handgemaakte koekoeksklokken. Hoewel het toeristisch was, had het iets charmants. In een klein restaurant at ik Bratwurst mit Sauerkraut en een lokaal biertje. De eigenaar, een joviale man, vroeg waar ik vandaan kwam en lachte toen ik zei dat ik uit Nederland kwam. “Ach ja, jullie houden van fietsen, wij van bergen,” zei hij.
’s Avonds reed ik terug door het bos. De lucht kleurde langzaam paars, en de geur van dennen bleef in de auto hangen.
Dag 5 – Rustdag in het dal
Na vier dagen wandelen en rijden besloot ik vandaag rustig aan te doen. Ik bleef in de buurt van mijn pension en maakte een korte wandeling langs de beek. De lucht was helder, en het zonlicht speelde tussen de bladeren.
In de middag ging ik naar een kleine boerderij in de buurt die lokale producten verkocht. De boerin liet me kaas proeven die ze zelf maakte. Ze vertelde dat ze haar koeien bijna allemaal bij naam kende. Er hing een geur van hooi en melk, en ik kocht een stuk kaas en een pot honing voor later.
Terug bij het pension zat ik de rest van de middag op het balkon. Ik las wat, schreef in mijn notitieboek en luisterde naar de wind die door het dal trok. Soms hoef je niets bijzonders te doen om gelukkig te zijn.
Dag 6 – Feldberg, het dak van het Zwarte Woud
Vandaag wilde ik hogerop: de Feldberg, de hoogste berg van het Zwarte Woud. De weg ernaartoe was prachtig – kronkelend door bossen en bergweides, met af en toe uitzicht op verre dalen.
Ik parkeerde bij het bezoekerscentrum en begon aan de klim. De eerste kilometers waren rustig, maar naarmate ik hoger kwam, voelde ik de kou toenemen. De wind was fris, de lucht zuiver. Op de top stond ik stil en keek om me heen. De wereld leek oneindig – bossen, heuvels, meren, allemaal onder een eindeloze hemel.
Ik bleef er een tijd staan, gewoon kijkend. Het was het soort stilte dat diep doordringt, alsof de tijd even ophoudt te bestaan.
Op de terugweg at ik in een berghut Käsespätzle – een hartig gerecht met gesmolten kaas en ui. De warmte van het eten en de geur van houtvuur maakten het moment perfect.
Dag 7 – Terug naar Freiburg en afscheid
Mijn laatste dag begon met zon en een lichte melancholie. Ik pakte mijn spullen, nam afscheid van de gastvrouw, die me nog een stuk taart meegaf “voor onderweg”, en reed langzaam terug richting Freiburg.
Ik bracht de ochtend door in de stad. Ik liep door de Altstadt, langs de kleine beekjes – de Bächle – die overal door de straten lopen. Ik bezocht nog één keer het plein bij de Münster, waar muzikanten speelden en toeristen foto’s maakten. De geur van geroosterde noten hing in de lucht.
Ik ging zitten met een koffie en keek naar de mensen. Het was moeilijk om te geloven dat deze week voorbij was. De rust van het bos, de geur van dennen, het geluid van beekjes – het voelde allemaal dichterbij dan mijn leven thuis, maar tegelijk ongrijpbaar.
Toen ik de stad uitreed, keek ik in de achteruitkijkspiegel en zag de heuvels van het Zwarte Woud langzaam verdwijnen. Ik wist dat ik hier ooit terug zou komen – misschien in de herfst, als de bomen goud kleuren, of in de winter, als de dalen onder sneeuw verdwijnen.
Want sommige plekken laat je niet echt achter. Ze blijven in je zitten, stil en rustig, als het ruisen van het bos zelf.
