Je bekijkt nu Reisverslag: Een week in Luik, België
  • Laatste wijziging in bericht:12/10/2025
  • Leestijd:8 min. lezen

Reisverslag: Een week in Luik, België

Dag 1 – De rit naar naar Luik en eerste indrukken van de stad

Op een grijze zaterdagochtend vertrok ik uit Den Haag richting het zuiden naar Luik. De koffers lagen in de achterbak, een thermos koffie stond in de bekerhouder, en de radio speelde zacht op de achtergrond. De route was vertrouwd tot voorbij Maastricht, maar daarna veranderde het landschap plots: heuvelachtig, groener, met dorpen die tegen de hellingen leken te kleven.

De eerste borden met “Liège” brachten een lichte spanning. Luik had altijd iets mysterieus gehad — een stad die zelden genoemd wordt als toeristische trekpleister, maar waarvan ik hoorde dat ze vol karakter zat.

Rond de middag reed ik de stad binnen. De moderne Guillemins-station, ontworpen door Calatrava, begroette me met zijn witte, golvende structuur van staal en glas. Het voelde alsof ik een futuristische poort binnenreed. Mijn hotel lag in de buurt van de Boulevard d’Avroy, centraal en levendig. Na het inchecken besloot ik de stad meteen te voet te verkennen.

Ik wandelde langs de Maas, waar schepen traag voorbijgleden. De lucht rook naar water en metaal. In de verte zag ik de oude industriële gebouwen, stille getuigen van Luiks verleden. Aan de overkant glinsterden nieuwe appartementencomplexen. De stad leek voortdurend te schipperen tussen oud en nieuw.

’s Avonds at ik bij een brasserie aan de Place du Marché, waar ik mijn eerste echte boulets à la Liégeoise bestelde — gehaktballen in een zoetzure saus van stroop en uien, geserveerd met frieten. Het was hartig, stevig, troostrijk. Terwijl ik daar zat, luisterde ik naar de zachte klanken van Frans, Waals en zelfs een vleugje Duits aan de omliggende tafels.

Luik voelde niet als een stad die je meteen begrijpt. Ze was ruw, eerlijk, een beetje rommelig — en precies daardoor intrigerend.

Dag 2 – De stad verkennen: trappen, uitzichten en contrasten

Na een stevig ontbijt besloot ik de stad te voet te ontdekken. Mijn eerste bestemming was de beroemde Montagne de Bueren, de imposante trap met 374 treden die naar boven slingert als een stenen rivier. Halverwege stond ik stil, hijgend maar gefascineerd, en keek naar beneden. De stad lag uitgespreid onder me, met de Maas die als een zilveren lijn door het hart sneed. Bovenaan wachtte stilte en uitzicht, met oude huizen die leken te rusten tegen de heuvel.

Daarna dwaalde ik door het historische centrum, met zijn smalle straatjes en bakstenen gevels. Ik bezocht de Kathedraal van Sint-Paulus, waar het licht zacht door de glas-in-loodramen viel. Binnen was het koel en vredig, een oase midden in de stedelijke chaos.

’s Middags liep ik langs de Place Saint-Lambert, waar vroeger een enorme kathedraal stond, nu vervangen door open ruimte en moderne gebouwen. Het plein voelde als een symbolische plek: een stad die zichzelf opnieuw heeft moeten uitvinden.

Ik at een wafel bij een kraampje – een echte gaufre de Liège, warm, karamelachtig en plakkerig aan mijn vingers. Terwijl ik doorliep, hoorde ik muziek van straatartiesten, het gebrom van bussen, het geroep van marktkramers. Luik leefde luid.

’s Avonds at ik in Le Carré, de wijk die bekendstaat om zijn uitgaansleven. De cafés zaten vol, de sfeer was opgewekt en studentikoos. Ik voelde me er welkom, zelfs als buitenstaander.

Dag 3 – Musea, Maas en moderniteit

Vandaag stond in het teken van cultuur. Ik begon in het La Boverie Museum, gelegen in een park aan de oever van de Maas. Het gebouw, elegant en licht, huisvestte een indrukwekkende collectie schilderijen — van 19e-eeuwse meesters tot hedendaagse werken. Terwijl ik langs de zalen liep, hoorde ik de regen zacht tikken tegen de ruiten. Het gaf de ochtend een kalme sfeer.

Na het museum wandelde ik door het Parc de la Boverie, waar het natte gras glom en eenden door de vijvers gleden. Ik stak de moderne voetgangersbrug over die het park met het centrum verbindt — een mooi symbool van hoe Luik zich probeert open te stellen.

’s Middags liep ik door de wijk Outremeuse, letterlijk “over de Maas”, een volksbuurt met een eigen identiteit. Hier hoorde ik accordeonmuziek uit cafés komen, rook ik de geur van frietvet en vers brood, en zag ik muren beschilderd met kleurrijke muurschilderingen. Ik at in een eenvoudig restaurant een stoofpotje met bier, omringd door locals die elkaar allemaal leken te kennen.

Terug in het centrum kocht ik nog wat pralines bij een kleine chocolatier en keek hoe de stad langzaam verlicht werd bij zonsondergang. Luik toonde zich van haar zachtere kant.

Dag 4 – Een dagtrip naar de heuvels van de Ardennen

Na drie dagen stad besloot ik de omgeving te verkennen. Ik reed met de auto richting Spa, slechts een uur van Luik. De rit voerde door bossen en dalen, langs dorpjes met leistenen daken en smalle riviertjes. Het contrast met de stedelijke drukte was groot.

In Spa wandelde ik door het park, dronk water uit een van de bronnen, en at een lichte lunch op een terras. Daarna reed ik nog door naar Remouchamps, waar ik een ondergrondse grot bezocht. De stilte en koelte daar beneden werkten bijna meditatief.

Tegen de avond keerde ik terug naar Luik, waar de stad weer gonste van leven. Ik at een eenvoudige pizza in een restaurantje vlak bij het station, waar treinreizigers in- en uitliepen. Terwijl ik naar buiten keek, dacht ik aan hoe Luik voortdurend beweegt: een stad die nooit echt stilstaat, zelfs niet ’s nachts.

Dag 5 – De markten en het dagelijkse leven

Vandaag bezocht ik de beroemde zondagmarkt van La Batte, die zich kilometers langs de Maas uitstrekt. Het was een feest van kleuren, geuren en geluiden: groenten, kazen, bloemen, kleren, en natuurlijk luide verkopers die hun waar aanprezen in een mengeling van Frans en Waals.

Ik proefde stukjes kaas, kocht een klein potje Luikse stroop, en dronk een koffie aan een kraampje terwijl ik het voorbijtrekkende publiek bekeek. Ouderen met boodschappentassen, jonge gezinnen, studenten — iedereen leek hier samen te komen.

’s Middags liep ik naar de Opéra Royal de Wallonie, een elegant gebouw dat contrasteert met de ruwe uitstraling van sommige omliggende straten. De combinatie van verfijning en eenvoud leek typisch Luiks.

’s Avonds at ik in een klein restaurant aan de Rue du Pot d’Or. De eigenaar herkende me van een eerdere avond en groette me hartelijk. We raakten aan de praat over de stad, over hoe ze ooit een industriële reus was en nu langzaam aan het veranderen is. Zijn liefde voor Luik werkte aanstekelijk.

Dag 6 – Verborgen plekken en rust aan de Maas

Vandaag besloot ik het rustiger aan te doen. Ik begon met een wandeling door de Coteaux de la Citadelle, een netwerk van trappen, paden en tuinen die tegen de heuvel liggen. De stilte daar was onverwacht: vogels, het geritsel van bladeren, en af en toe het geluid van een verre klok. Vanaf een uitzichtspunt keek ik uit over de daken en de rivier.

Daarna wandelde ik door de Rue Hors-Château, een straat vol oude gevels, poortjes en binnentuinen. Ik bleef even staan bij een kleine antiekwinkel, waar de eigenaar me enthousiast vertelde over oude Luikse meubels en porselein.

’s Middags zat ik op een terras aan de Quai de la Goffe met een boek en een glas bier. De zon brak door, en het licht speelde op het water. Het was een rustig moment, bijna poëtisch, in een stad die meestal beweegt in een snel ritme.

Die avond at ik in een moderne bistro vlak bij de kathedraal, waar traditionele gerechten op een verfijnde manier werden geserveerd. Het voelde als een mooie afsluiting van mijn verblijf.

Dag 7 – Laatste ochtend en terug naar Den Haag

De laatste ochtend brak aan met een lichte mist boven de Maas. Ik liep nog één keer door het centrum, at een croissant in een café en keek hoe de stad langzaam ontwaakte. Mensen haastten zich naar hun werk, marktkramers zetten hun stalletjes op, en de klokken luidden in de verte.

Ik nam afscheid van Luik door nog één keer de Maas over te steken. De rivier leek, net als de stad, onvermoeibaar: constant in beweging.

De rit terug naar Den Haag verliep rustig. Terwijl ik door het vlakke Nederland reed, dacht ik aan Luik: aan de trappen, de geuren, de geluiden, het rumoer en de vriendelijkheid die daaronder schuilging. Het was geen stad die zich meteen aan je opdringt, maar een die je leert waarderen, stap voor stap — net als de Montagne de Bueren die ik op die tweede dag beklommen had.

Luik had me verrast, uitgedaagd en geraakt. En ergens wist ik dat ik zou terugkomen — niet voor de pracht, maar voor de echtheid.