Dag 1 – Aankomst in Faro en eerste indruk van de kust
Na maanden van uitkijken was het eindelijk zover: mijn reis naar de Algarve. Portugal stond al lang op mijn verlanglijstje, maar de zuidelijke kuststreek had me altijd het meest gefascineerd – de steile kliffen, het azuurblauwe water en de belofte van zon van ’s morgens tot ’s avonds. Ik besloot in mei te gaan, net vóór het hoogseizoen, in de hoop de drukte nog voor te blijven en toch van het warme weer te genieten.
De huurauto stond al klaar en na wat gestuntel met het navigatiesysteem reed ik richting Lagos, mijn eerste bestemming. De weg kronkelde langs lage heuvels vol olijfbomen en witte dorpjes. Af en toe zag ik de zee oplichten in de verte. Ik stopte onderweg bij een klein café langs de N125, waar een oudere man me koffie schonk die sterker was dan ik gewend was, maar precies wat ik nodig had na de reis.
Tegen de avond bereikte ik Lagos. Mijn pension lag aan de rand van de stad, met uitzicht op de oceaan. Vanaf het terras hoorde ik de meeuwen krijsen en het zachte geruis van de golven. Ik at die avond eenvoudig – gegrilde kip met citroen en een glas vinho verde – maar het smaakte beter dan welk restaurant in Nederland ook.
Dag 2 – Verkenning van Lagos en Ponta da Piedade
Ik was vroeg wakker, nog voor de zon goed opkwam. João, de eigenaar van het pension, had me aangeraden om vóór negen uur naar Ponta da Piedade te gaan, omdat het dan nog rustig is. Zijn tip bleek goud waard.
De wandeling naar de kliffen was kort maar adembenemend. De zon scheen laag over het water, waardoor de rotsformaties oranje oplichtten. Ik zat een tijdje alleen op een uitkijkpunt, terwijl beneden de golven tegen de stenen sloegen. Daarna daalde ik de trappen af naar een kleine baai, waar een vissersbootje lag te wachten voor een tocht langs de grotten. De gids, een man met een verweerd gezicht en een eeuwige glimlach, vertelde met trots over elke rotsformatie: “Hier zie je de olifant, daar het kasteel.”
’s Middags dwaalde ik door het oude centrum van Lagos. De straatjes waren smal en wit, met blauwe tegeltjes en balkonnetjes vol bloemen. Ik bezocht de lokale markt, waar vrouwen vis verkochten die nog glinsterde van de zee. Ik kocht vers fruit en at later cataplana de marisco in een klein restaurantje – een stoofpot vol garnalen, mosselen en tomaat. De geur van knoflook hing nog uren in mijn handen.
Dag 3 – Uitstapje naar Portimão
Na het ontbijt reed ik naar Portimão, een stad die bekender is om zijn haven en strand. De rit duurde nog geen veertig minuten. Portimão voelde direct levendiger aan dan Lagos: meer verkeer, meer geluid, maar ook een bruisende sfeer.
Ik wandelde langs de promenade bij de rivier de Arade en keek naar de vissersboten die langzaam binnenvoeren. Daarna liep ik door naar Praia da Rocha, het bekendste strand van de stad. De kliffen waren er lager dan in Lagos, maar het zand leek eindeloos. Ik huurde een ligstoel en bracht de ochtend door met zwemmen en lezen.
’s Middags at ik lunch bij een strandtent: gegrilde dorade met olijfolie, citroen en een glas witte wijn. De ober vroeg waar ik vandaan kwam en vertelde dat hij ooit in Rotterdam had gewerkt. We praatten even over het verschil tussen de Noordzee en de Atlantische Oceaan – “Jullie zee is koud, onze zee leeft,” zei hij lachend.
Later die middag reed ik naar het nabijgelegen Ferragudo, een charmant dorpje aan de overkant van de rivier. Daar dwaalde ik door steile straatjes en vond een klein pleintje waar kinderen voetbalden en ouderen domino speelden. Het voelde als het echte Portugal, ver weg van het toeristische rumoer.
Dag 4 – Rustdag en kleine ontdekking in Lagos
Na drie drukke dagen besloot ik het rustig aan te doen. Ik liep ’s ochtends naar Praia do Camilo, een klein strand verscholen tussen twee kliffen. De afdaling ging via houten trappen, en beneden lag een halve maan van goudkleurig zand. Ik zwom in het heldere water en bleef uren liggen luisteren naar het ritme van de zee.
’s Middags zat ik op een terras in de stad met een boek, maar ik las nauwelijks. De sfeer was te levendig: het geluid van gesprekken, het gerinkel van servies, de geur van versgebakken pastéis de nata. Een oudere vrouw aan de tafel naast me raakte met me aan de praat. Ze bleek uit Porto te komen, maar kwam al twintig jaar elke lente naar Lagos “om de winter uit mijn botten te krijgen”. Haar woorden bleven hangen.
Dag 5 – Dagtocht naar Albufeira
Vandaag stond Albufeira op het programma. De weg ernaartoe was vlot, al veranderde het landschap langzaam: minder rotsachtig, meer bebouwd. Albufeira is zonder twijfel toeristischer dan Lagos of Tavira. De witte huizen op de heuvels en de drukke boulevard gaven het iets mediterraans.
Ik liep door de oude stad, waar smalle steegjes vol souvenirwinkels en restaurants naar de zee leiden. Op het strand zaten gezinnen, koppels en jongeren door elkaar. De sfeer was vrolijk, maar ook wat druk. Toch had het iets gezelligs – een levendige chaos.
’s Middags maakte ik een boottocht langs de kust. De grotten en rotsformaties ten oosten van Albufeira zijn indrukwekkend, vooral de beroemde Benagil-grot, waar het licht door een opening in het plafond naar binnen valt. Toen we even stil lagen in de baai, sprong ik het water in. Het was kouder dan ik had verwacht, maar het voelde verkwikkend.
’s Avonds at ik in een restaurant boven de kliffen, waar ik een uitzicht had over de zee. De lucht kleurde paars en goud, en even dacht ik aan hoe ver ik van huis was, maar ook hoe goed dat voelde.
Dag 6 – Naar het oosten: Tavira
Na het drukke Albufeira verlangde ik naar rust. Ik reed naar Tavira, aan de oostkant van de Algarve. Onderweg veranderde de omgeving opnieuw – minder toeristisch, meer natuur. Tavira bleek een van de mooiste verrassingen van de reis. De stad ligt aan de rivier Gilão, en de sfeer is er bijna dromerig.
Ik nam de kleine veerboot naar Ilha de Tavira, een langgerekt eiland met wit zand en helder water. Ik wandelde langs de kust, waar slechts een handvol mensen lag. De stilte was weldadig. In de middag las ik op het strand, dronk een koel biertje in de strandbar en keek naar de golven.
’s Avonds at ik op een terras in de stad, waar de lampionnen zacht brandden boven de rivier. Ik bestelde gegrilde sardientjes en een salade van octopus – eenvoudig, maar heerlijk.
Dag 7 – Laatste dag en terugreis
De laatste ochtend bracht ik door in Lagos. Ik liep nog eenmaal naar de kliffen, om afscheid te nemen van de zee. Er stond een lichte wind, en de lucht was helderblauw. Ik dacht terug aan de week die voorbij was gevlogen: de kliffen van Ponta da Piedade, de levendigheid van Portimão, de drukte van Albufeira, de rust van Tavira.
Toen ik richting Faro reed om mijn vlucht te halen, voelde ik die typische mengeling van tevredenheid en weemoed. De Algarve had me geraakt op een manier die ik niet had verwacht – niet alleen door het landschap, maar door de warmte van de mensen, de smaken van het eten en het trage ritme van het leven.
Ik wist één ding zeker toen het vliegtuig opsteeg: ik kom terug. Misschien niet volgend jaar, maar ooit – om opnieuw die geur van zout en zon in te ademen, en weer even te voelen hoe eenvoudig geluk kan zijn.
