Dag 1 – De rit vanuit Den Haag naar Gent en de eerste kennismaking
Ik vertrok op een heldere zaterdagochtend uit Den Haag naar Gent. De lucht was fris en blauw, en de snelweg nog rustig. Mijn auto zat vol met alles wat ik voor een week nodig had: een kleine koffer, mijn camera, een notitieboek en een playlist met zachte jazz en oude Vlaamse chansons.
De route via Rotterdam en Antwerpen verliep vlot, al zorgde de ring van Antwerpen, zoals altijd, voor wat vertraging. Toen ik de borden richting Gent zag, voelde ik een lichte opwinding. Gent had ik al eens kort bezocht, maar nog nooit echt leren kennen.
Rond het middaguur reed ik de stad binnen. De mix van oude gevels, waterlopen en moderne trams gaf meteen een levendige indruk. Mijn hotel lag aan de rand van het historische centrum, in een rustige straat vlak bij de Sint-Michielsbrug. Na het inchecken liep ik meteen naar buiten, de stad in.
De eerste wandeling bracht me langs de Graslei en Korenlei, waar de gevels van oude gildehuizen zich spiegelden in het water van de Leie. Terrassen zaten vol, studenten fietsten kriskras door elkaar, en de geur van frieten en wafels vulde de lucht. Ik at een broodje bij een klein café aan het water en bleef er zitten tot de zon zakte.
’s Avonds dineerde ik in een brasserie vlak bij de Vrijdagmarkt. Stoofvlees met frieten, een glas Brugse Zot en het zachte geroezemoes van locals — beter kon de eerste avond niet eindigen.
Dag 2 – De stad ontdekken
Na een stevig ontbijt met koffie en verse croissants begon ik de dag met een bezoek aan het Gravensteen, het middeleeuwse kasteel dat trots uittorent boven de stad. Binnen rook het naar steen en geschiedenis. Ik wandelde door de zalen, keek naar de oude harnassen en genoot van het uitzicht vanaf de torens. De daken van Gent lagen aan mijn voeten, rood en ongelijk, met torens die boven alles uitstaken.
Daarna liep ik naar de Sint-Baafskathedraal, waar het wereldberoemde Lam Gods hangt. De gedetailleerdheid van het schilderij van Van Eyck was overweldigend. De combinatie van religieuze diepte en menselijke kwetsbaarheid maakte dat ik er lang bleef kijken.
’s Middags wandelde ik door het Patershol, een doolhof van smalle straatjes en charmante huizen. Hier leek de tijd stil te staan. Ik at een lichte lunch bij een klein restaurantje met houten tafels en rode geruite tafelkleden. De eigenaar vertelde met trots dat hij al dertig jaar in Gent woonde en de stad nooit meer had willen verlaten.
’s Avonds dronk ik een glas wijn aan de Korenlei, terwijl de lichten van de stad weerspiegelden in het water. Er speelde een straatmuzikant accordeon, en ik dacht: deze stad heeft een ritme dat nergens anders te vinden is.
Dag 3 – Musea en moderne flair
Vandaag wilde ik het culturele gezicht van Gent ontdekken. Ik begon bij het STAM, het stadsmuseum, gevestigd in een oud klooster. De interactieve opstellingen vertelden het verhaal van Gent: van middeleeuwse handelsstad tot moderne universiteitsstad. Vooral de grote luchtfoto op de vloer, waarop je letterlijk door de stad kon lopen, vond ik indrukwekkend.
Daarna ging ik naar het Museum voor Schone Kunsten (MSK). De collectie was groot en divers, met zowel oude meesters als moderne kunstenaars. Een schilderij van Ensor bleef me bij: zijn mengeling van humor en melancholie leek perfect te passen bij de geest van Gent.
’s Middags wandelde ik door het Citadelpark, waar het groen een welkome afwisseling bood na de drukte van de stad. Op een bankje las ik een paar pagina’s uit een boek dat ik had meegenomen, maar mijn gedachten dwaalden steeds af naar de stad zelf.
’s Avonds at ik in de wijk rond de Sint-Pietersnieuwstraat, waar veel studenten en jonge locals uitgaan. De sfeer was ontspannen, het eten eenvoudig maar goed: spaghetti met verse tomatensaus en een lokaal blond bier. Toen ik terugliep naar mijn hotel, voelde ik me bijna een inwoner — een passant die even deel uitmaakt van de stad.
Dag 4 – Een dag aan het water
De zon scheen fel vandaag, en ik besloot de stad eens vanop het water te bekijken. Ik nam deel aan een boottocht op de Leie, die vertrok vanaf de Graslei. De gids sprak met een zachte Gentse tongval en vertelde verhalen over oude handelsroutes, gilden en legenden. Terwijl we onder bruggen doorvoeren en langs statige gevels gleden, voelde ik hoe Gent zijn geschiedenis ademt zonder erdoor verstikt te worden.
Na de boottocht at ik een salade op een terras aan de Kraanlei, waar ik uren bleef zitten om mensen te kijken. Daarna liep ik naar de Vrijdagmarkt, waar ik me mengde tussen de locals die inkopen deden en op bankjes zaten te praten.
’s Middags bezocht ik het Design Museum, een verrassend modern museum midden in de oude stad. De contrasten tussen de strakke vormen en de historische omgeving waren prachtig.
’s Avonds vond ik een klein restaurant in het Patershol waar enkel locals leken te eten. Ik bestelde konijn met pruimen en puree — een typisch Vlaams gerecht — en genoot van de eenvoudige, hartelijke sfeer. Toen ik buiten kwam, was het al donker, en de kasseien glommen na een korte regenbui. De stad leek te fluisteren.
Dag 5 – Dagtrip naar de omgeving
Vandaag wilde ik even buiten Gent gaan kijken. Ik reed met de auto naar de Leiestreek, een gebied vol dorpjes en kunstenaarsateliers. In Sint-Martens-Latem bezocht ik een kleine galerie met schilderijen van Vlaamse expressionisten. Het licht over de rivier, het groen van de bomen en de stilte maakten het een heerlijke dag.
’s Middags at ik in een café met uitzicht op de Leie. Een oudere man raakte met me aan de praat en vertelde over de veranderingen van de streek, over vroeger toen alles nog trager ging. Zijn zachte stem en rustige blik pasten bij het landschap.
Tegen de avond reed ik terug naar Gent. De stad verwelkomde me opnieuw met lichtjes en levendigheid. Ik liep nog even langs de Sint-Michielsbrug, waar het uitzicht over de drie torens van Gent – de Sint-Niklaaskerk, het Belfort en de Sint-Baafskathedraal – me telkens weer stil maakte.
Dag 6 – Lokale smaken en verborgen plekken
Vandaag had ik geen plan. Ik wilde gewoon dwalen. Ik begon op de Vrijdagmarkt, waar een weekmarkt bezig was. De geur van vers brood, bloemen en kruiden vulde de lucht. Ik kocht wat lokale kazen om mee naar huis te nemen.
Daarna liep ik zonder richting door de stad. Ik ontdekte een klein hofje achter de Kraanlei, bijna verborgen tussen de huizen. Er stond een bankje in de zon, en ik bleef er een tijdje zitten met een koffie to go. Een kat liep langs, mensen groetten elkaar vriendelijk. Het was het soort eenvoud dat je alleen ervaart als je vertraagt.
’s Middags bezocht ik de Dulle Griet, een bekend café met honderden bieren op de kaart. De sfeer was vrolijk en rumoerig. Ik bestelde een lokaal amberbier en raakte in gesprek met een groepje studenten. Hun enthousiasme over hun stad werkte aanstekelijk.
’s Avonds at ik in een klein restaurant aan het water, waar ik mosselen bestelde en luisterde naar een straatmuzikant die gitaar speelde. Het voelde alsof ik precies was waar ik moest zijn.
Dag 7 – Afscheid van Gent en terug naar Den Haag
De laatste ochtend begon stil. Ik pakte mijn spullen in en dronk nog een koffie bij een bakker om de hoek. Buiten hing een lichte mist boven de rivier. Ik wandelde nog één keer langs de Graslei, keek naar de weerspiegeling van de huizen in het water, en voelde een lichte weemoed.
Gent had iets gedaan wat maar weinig steden kunnen: me het gevoel gegeven dat ik er even thuishoorde. De balans tussen levendigheid en rust, tussen oud en nieuw, tussen stad en mens, was precies goed.
De rit terug naar Den Haag verliep rustig. Terwijl ik over de grens reed, dacht ik terug aan de geluiden van de stad: het zachte rinkel van trams, het geroezemoes op de terrassen, het klotsen van het water tegen de kade. Gent bleef nog lang in mijn hoofd, als een melodie die niet wil verdwijnen.
