Dag 1 – Aankomst in de stad van licht
Toen de trein vanuit Brussel langzaam het station Gare du Nord in Parijs binnenreed, voelde ik een mengeling van opwinding en nieuwsgierigheid. Het was mijn eerste keer in Parijs, en al bij het uitstappen proefde ik de sfeer: drukte, stemmen, koffers die ratelden over de vloer, de geur van croissants en koffie die uit de stationshal kwam. Buiten scheen de zon en de stad leek meteen te bruisen van leven.
Mijn hotel lag in het 9e arrondissement, niet ver van de Opéra. De kamer was klein maar knus, met een Frans balkon dat uitkeek op een smalle straat vol cafés. Ik zette mijn tas neer, gooide wat water in mijn gezicht en besloot niet te wachten – ik wilde meteen de stad in.
Ik wandelde richting de Seine, door brede boulevards en langs imposante gebouwen. De eerste aanblik van de rivier was precies zoals ik had gehoopt: bruggen vol voetgangers, boekenkraampjes met oude affiches en tweedehands boeken, en boten die traag onder me doorgleden. Tegen de avond bereikte ik het Louvre. Het plein was goud van het zonlicht, en de glazen piramide glansde als een spiegel. Ik bleef lang staan kijken.
’s Avonds at ik in een klein bistro in de Rue Montorgueil – een drukke straat vol terrassen en geuren. Ik bestelde een uiensoep en een glas rode wijn. De ober sprak snel en vriendelijk, en ik voelde me voor het eerst in maanden echt ontspannen.
Dag 2 – Het Louvre en de eerste ontmoeting met kunst
Ik was vroeg wakker, vast door de stadsgeluiden. Na een croissant en een sterke espresso in een nabijgelegen café liep ik terug naar het Louvre. Er stond al een rij, maar de tijd vloog voorbij. Binnen was het overweldigend – de zalen, de trappen, de eindeloze schilderijen.
Ik begon bij de Italiaanse meesters. De Mona Lisa was kleiner dan ik had verwacht, maar de menigte ervoor was immens. Toch stond ik er even, probeerde me te concentreren op haar blik, terwijl om me heen honderden telefoons omhooggingen. Later dwaalde ik door de Egyptische afdeling, waar het koel en stil was. Daar vond ik rust, tussen eeuwenoude beelden en hiërogliefen.
Na uren ronddwalen ging ik naar buiten. De lucht was fris, de stad vol geluid. Ik liep door de Tuilerieën, waar Parijzenaars op stoelen zaten met hun gezichten in de zon. Ik kocht een stokbrood en een stuk kaas bij een kraampje, en at het op een bankje met uitzicht op de fonteinen.
’s Avonds wandelde ik naar de Notre-Dame. Hoewel delen van de kathedraal nog in restauratie waren, was de sfeer er bijzonder. De lichten weerspiegelden in de rivier en de klokken luidden zacht. Parijs leek te ademen.
Dag 3 – Montmartre en de ziel van Parijs
Vandaag trok ik naar Montmartre, de wijk die altijd met kunstenaars, muziek en romantiek wordt geassocieerd. Ik nam de metro tot Abbesses en begon aan de klim. De trappen waren steil, maar elke bocht bracht een nieuw uitzicht, een nieuw tafereel: schilders, muzikanten, kleine cafés met stoelen op het trottoir.
Bovenop de heuvel stond de Sacré-Cœur, wit en glanzend in het zonlicht. Ik ging naar binnen en bleef even zitten, terwijl de koorzang zacht weerklonk in de hoge koepel. Daarna liep ik naar buiten en keek over de stad. Het uitzicht was indrukwekkend – een zee van daken tot aan de horizon.
In de middag dwaalde ik door de smalle straatjes van Montmartre. Ik bezocht het Place du Tertre, waar schilders hun doeken uitstallen. Een oudere kunstenaar sprak me aan en vroeg of hij mijn portret mocht tekenen. Ik stemde toe, en twintig minuten later had ik een tekening die vaag op me leek, maar vooral de sfeer van het moment vatte.
’s Avonds at ik in een klein restaurantje beneden aan de heuvel, in Pigalle. Er speelde een accordeonist binnen, en buiten viel zacht de regen. Ik bestelde coq au vin en keek hoe de straat langzaam donker werd. De stad had iets tijdloos, iets dat je nergens anders vindt.
Dag 4 – Langs de Seine en naar de Eiffeltoren
De regen van de avond ervoor was verdwenen. De lucht was helder en blauw. Ik besloot de dag rustig te beginnen met een wandeling langs de Seine. De boekverkopers waren hun kramen aan het openen, de stad ontwaakte langzaam. Ik kocht een oude ansichtkaart met een zwart-witfoto van de Eiffeltoren en stak hem in mijn tas.
Ik liep richting het westen, langs de Pont Alexandre III, die met zijn gouden beelden en elegante bogen misschien wel de mooiste brug van Parijs is. Van daaruit zag ik hem voor het eerst van dichtbij: de Eiffeltoren. Hij leek groter dan ik had verwacht, imposant maar sierlijk. Ik besloot de trap te nemen in plaats van de lift. Halverwege moest ik even stoppen om op adem te komen, maar het uitzicht maakte alles goed. Vanaf de top keek ik over de stad – de Seine kronkelde als een zilveren lint door de daken, de koepel van de Invalides glansde in de verte, en de horizon was eindeloos.
’s Middags zat ik in het gras van de Champs de Mars, at een baguette met ham en keek naar de toeristen die probeerden de toren “tussen hun vingers” vast te houden voor foto’s. De sfeer was licht en vrolijk.
Die avond liep ik terug richting mijn hotel. Ik dronk een glas wijn in een bar waar een jazzband speelde. De muziek vulde de ruimte, en ik dacht aan hoe het moest zijn geweest in de jaren twintig, toen kunstenaars en schrijvers hier leefden en werkten.
Dag 5 – Saint-Germain-des-Prés en de geur van boeken
Na de drukte van de vorige dag zocht ik iets rustigers. Ik wandelde door de wijk Saint-Germain-des-Prés, die een bijna literaire sfeer heeft. Hier woonden ooit Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir, en de cafés waar ze schreven bestaan nog steeds.
Ik begon met koffie bij Café de Flore, waar ik buiten zat en mensen keek. Aan de tafel naast me zat een oudere man met een krant en een glas wijn, hoewel het nog geen elf uur was. Daarna liep ik door de Rue Bonaparte en bezocht de boekwinkel Shakespeare and Company. De geur van papier, de smalle trappen en de stapels boeken gaven het iets magisch. Ik kocht een tweedehands bundel van Baudelaire en liet er mijn naam in schrijven door de kassier.
’s Middags bezocht ik het Musée d’Orsay, gevestigd in een oud treinstation. De collectie van impressionisten maakte diepe indruk – vooral Monet en Degas. Door het grote klokvenster keek ik uit over de Seine, en even voelde het alsof tijd daar stilstond.
’s Avonds at ik in een kleine brasserie aan de Boulevard Saint-Germain. De ober serveerde steak frites met een glimlach en vroeg waar ik vandaan kwam. We praatten even over Amsterdam en Parijs. “Uw stad is kalm,” zei hij, “de onze leeft altijd.” Hij had gelijk.
Dag 6 – Versailles en de pracht van het verleden
Vandaag nam ik de trein naar Versailles. Al bij aankomst was het indrukwekkend: de gouden poorten, de tuinen, het paleis zelf dat in de zon glansde als iets uit een sprookje.
Binnen was het overweldigend – marmeren zalen, schilderijen, spiegels, vergulde plafonds. De Spiegelzaal was het hoogtepunt. Terwijl groepen toeristen voorbijliepen, bleef ik even staan en stelde me voor hoe het hier eeuwen geleden moet zijn geweest, met galajurken, muziek en hofleven.
De tuinen waren minstens zo mooi. Ik dwaalde urenlang tussen de lanen en fonteinen, at een broodje in de schaduw van een lindeboom en luisterde naar het geluid van fonteinen en vogels.
Toen ik ’s avonds terugkeerde in Parijs, voelde ik me vol indrukken maar ook moe. Ik liep nog één keer over de Pont Neuf, keek naar de lichtjes die weerspiegelden in het water, en had het gevoel dat ik deel uitmaakte van iets groots – een stad die nooit ophoudt te ademen.
Dag 7 – Laatste ochtend en afscheid
De laatste ochtend in Parijs brak aan met een heldere lucht en het geluid van verkeer en stemmen beneden. Ik pakte mijn koffer, maar besloot eerst nog één ding te doen. Ik liep naar een bakkerij om de hoek en kocht een verse croissant. Met een koffie in de hand ging ik op een bankje zitten aan de Seine.
Ik keek naar de stad die inmiddels vertrouwd was geworden. Er klonk muziek van een straatmuzikant, een vrouw fietste langs met bloemen in haar mand, een boot gleed langzaam over het water. Ik voelde een mengeling van weemoed en dankbaarheid. Parijs had me in zijn greep gekregen – niet door zijn monumenten alleen, maar door zijn sfeer, zijn geluiden, zijn mensen.
Toen de trein later die middag het station uitreed, keek ik nog één keer naar buiten. De stad verdween langzaam, maar ik wist dat ik ooit zou terugkeren. Parijs laat je niet los; het blijft ergens in je achterhoofd, als een melodie die je blijft neuriën, lang nadat de muziek is gestopt.
