Dag 1 – Aankomst in Rome de Eeuwige Stad
De vlucht vanuit Nederland landde iets na de middag op Fiumicino in Rome. De warmte sloeg me tegemoet zodra ik het vliegtuig uitstapte — die typische Romeinse hitte, droog en stoffig, met een vleugje zeezout in de lucht. In de trein naar Termini keek ik naar het landschap dat langzaam veranderde: eerst platte, goudgele velden, daarna een wirwar van gebouwen, scooters, waslijnen en cypressen.
Mijn hotel lag in de buurt van Campo de’ Fiori, een wijk vol leven, smalle straatjes en de geur van koffie en vers brood. De eigenaar, een vriendelijke oudere man genaamd Carlo, gaf me een plattegrond en markeerde enthousiast de plekken die ik moest zien. “Maar vooral,” zei hij, “laat je verdwalen. Dat is hoe je Rome leert kennen.”
Ik besloot meteen zijn advies op te volgen. Ik liep zonder plan door de stad, langs pleinen en fonteinen, en kwam uit bij de Piazza Navona, waar straatartiesten schilderden en muzikanten speelden. De late zon wierp een gouden gloed over de gevels, en het geluid van water uit de Fontana dei Quattro Fiumi mengde zich met gelach en geroezemoes.
’s Avonds at ik mijn eerste echte Italiaanse maaltijd van de reis: cacio e pepe — simpel, romig, vol smaak — met een glas witte wijn uit Frascati. Toen ik door de nachtelijke straten terugliep, hoorde ik het zachte gezoem van scooters en het ritmisch gekletter van hakken op kinderkopjes. Rome ademde, en ik voelde me onmiddellijk opgenomen in haar ritme.
Dag 2 – Het Colosseum en de echo van eeuwen
Ik werd vroeg wakker van het geluid van kerkklokken. Na een espresso bij een klein café op de hoek wandelde ik richting het Colosseum. De stad was nog half in slaap, de lucht fris, en de eerste zonnestralen kleurden de stenen warm goud.
Toen ik het amfitheater naderde, kreeg ik kippenvel. Het is vreemd hoe een gebouw dat je al zo vaak hebt gezien in boeken en films je in werkelijkheid toch overweldigt. Binnen voelde ik de echo van duizenden stemmen — het rumoer van een oud publiek, het gejuich dat ooit door deze muren moet hebben gegalmd. Ik liep langzaam de tribunes op, keek naar de arena beneden, en dacht aan de absurditeit dat schoonheid en wreedheid hier ooit hand in hand gingen.
Daarna bezocht ik het Forum Romanum, waar zuilen als botten uit de aarde staken. De geur van tijm en stof hing in de lucht. Een gids vertelde over de republiek, over Caesar en Cicero, maar ik luisterde half — ik wilde vooral voelen, niet alleen weten.
’s Middags liep ik naar de Palatijn, waar een zacht briesje door de pijnbomen waaide. Vanaf het uitzichtpunt zag ik de stad in al haar lagen: oud en nieuw, geschiedenis en verkeer, chaos en stilte.
’s Avonds at ik in Trastevere, aan een klein tafeltje buiten. De wijk was levendig, de straten verlicht door lantaarns, en overal klonk muziek. Ik dronk rode wijn, proefde saltimbocca alla romana, en dacht: hier leeft de ziel van Rome — niet in monumenten, maar in mensen.
Dag 3 – Kunst, geloof en de oneindigheid van tijd
Vandaag stond de Vaticaanstad op het programma. Ik had vroeg een tijdslot geboekt, maar zelfs om acht uur ’s ochtends was de rij lang. De lucht was blauw, de sfeer verwachtingsvol.
De Sint-Pieterbasiliek was overweldigend. De grootsheid, het marmer, de koepel die leek op te lossen in licht — alles was te veel om in één blik te bevatten. Ik liep langzaam door de gangpaden, keek naar de Pietà van Michelangelo, en voelde me klein en tegelijk deel van iets groots.
Daarna de Vaticaanse Musea. Gang na gang, zaal na zaal — fresco’s, beelden, tapestries — een overdaad aan kunst. En dan de Sixtijnse Kapel. Ik keek omhoog naar Michelangelo’s plafond en voelde mijn nek protesteren, maar mijn ogen konden niet los. De kleuren, de compositie, de levendigheid: het was alsof de hemel zelf zich daar had geopend.
Na uren binnen was de hitte buiten bijna aangenaam. Ik liep naar de Engelenburcht, at een gelato, en stak via de brug over naar de stad. De rest van de middag bracht ik door in een park bij de Villa Borghese, waar cipressen schaduw wierpen over het grindpad. Ik zat op een bankje, luisterde naar het zoemen van insecten en voelde de vermoeidheid in mijn benen — maar ook diepe rust.
Die avond at ik bij een trattoria in Prati. De eigenaar vroeg waar ik vandaan kwam, schonk zonder te vragen nog een glas wijn in, en vertelde trots over zijn stad. “Rome is niet oud,” zei hij, “ze leeft — ze verandert gewoon niet voor iedereen.”
Dag 4 – De stad van fonteinen en pleinen
Vandaag liet ik de musea en monumenten even achter me. Ik wilde het dagelijkse Rome zien. Na een cappuccino bij de bar — staand, zoals de Italianen het doen — wandelde ik richting het Pantheon.
Binnen was het koel, de lichtstraal die door de oculus viel draaide langzaam met de zon. De marmeren vloer glansde, en de echo van voetstappen vulde de ruimte. Het idee dat dit gebouw ouder is dan bijna alles wat ik ken, en toch nog zo perfect intact, raakte me.
Daarna dwaalde ik verder, van plein naar plein: de Piazza Navona, met haar fonteinen en schilders; de Trevi-fontein, waar toeristen met hun rug naar het water muntjes wierpen; en de Piazza di Spagna, waar mensen op de trappen zaten met ijsjes in de hand.
Ik kocht een sandwich bij een kleine salumeria — prosciutto, mozzarella, tomaat — en at die zittend op een muurtje met uitzicht op een smalle straat. Een oud vrouwtje kwam me een glimlach geven toen ik haar groette. “Fa caldo oggi,” zei ze — “het is warm vandaag.” Ik knikte. Warm was een understatement.
’s Middags liep ik naar de Villa Medici en genoot van de rust in de tuinen. Toen de zon begon te zakken, wandelde ik terug richting de rivier. De stad baadde in een zacht, gouden licht, dat alles mooier maakte dan het al was.
’s Avonds at ik pizza bij een drukke zaak aan het plein. Aan de tafel naast me zat een groep studenten uit Napels, die me uitnodigden voor een glas wijn. We praatten over reizen, kunst, en waarom iedereen verliefd wordt op Rome. Ik begreep het maar al te goed.
Dag 5 – Langs de Via Appia Antica
Vandaag wilde ik even ontsnappen aan de drukte van het centrum. Ik huurde een fiets en reed de stad uit, richting de Via Appia Antica, de oude Romeinse weg.
Zodra ik buiten de stadsmuren was, veranderde alles. De lucht rook naar gras, dennen en stof. De stenen van de weg waren glad en ongelijk, de pijnbomen stonden als wachters langs de kant. Hier had Caesar gereden, hier hadden soldaten gemarcheerd.
Ik stopte bij de Catacomben van San Sebastiano, waar de stilte bijna tastbaar was. In het halfduister liep ik door smalle gangen vol oude grafnissen, en ik voelde een vreemd respect voor al die anonieme levens die hier rustten.
’s Middags zat ik op een muurtje langs de weg, at brood en kaas, en keek naar een kudde schapen die voorbijtrok. Het was moeilijk te geloven dat ik slechts een paar kilometer van de chaos van Rome was.
Toen ik ’s avonds terugfietste, hing er een oranje gloed over de stad. De koepel van de Sint-Pieter doemde op in de verte, en ik voelde me klein maar ook vol leven. Die avond at ik in Trastevere opnieuw, dit keer buiten bij kaarslicht. De wijn smaakte naar zon.
Dag 6 – Geluid, geur en chaos
Vandaag had ik niets gepland. Ik wilde Rome voelen zoals het leeft — zonder kaart, zonder doel.
Ik liep door markten, proefde vers fruit bij de kraam op Campo de’ Fiori, luisterde naar de verkopers die riepen, rook de geur van kruiden en bloemen. Ik dronk koffie aan de bar van een café waar de barman precies wist hoe ik mijn espresso wilde.
Later wandelde ik door de Joodse wijk, de Ghetto, waar smalle straten schaduw boden tegen de hitte. Ik at er gefrituurde artisjok — carciofi alla giudia — krokant en zout, een gerecht dat me nog lang zal bijblijven.
’s Middags bracht ik tijd door langs de Tiber, waar mensen op de kades zaten met boeken of flessen wijn. De wind bracht de geur van water en stad tegelijk.
’s Avonds liep ik opnieuw naar de Piazza Navona, nu badend in het licht van lantaarns. Ik bleef staan luisteren naar een straatmuzikant die O Sole Mio speelde. De toon was vals, maar het moment was perfect.
Dag 7 – Afscheid van Rome
Mijn laatste dag begon vroeg. De stad was nog stil, de lucht fris. Ik liep nog één keer door de nauwe straatjes van mijn wijk, haalde een cornetto en koffie bij de bakker op de hoek, en keek naar hoe de stad langzaam ontwaakte.
Ik liep richting de rivier, naar de Ponte Sisto. De zon kwam op boven de daken, en het licht kleurde de stenen goud. Rome lag daar, onveranderlijk en eeuwig, maar ook levend en ademend.
Ik dacht aan de week die achter me lag — aan de pracht, de chaos, de warmte, de geluiden, de geur van basilicum en steen. Rome was niet zomaar een stad geweest, maar een ervaring die zich langzaam in me had genesteld.
Toen de taxi me later naar het vliegveld bracht, keek ik nog één keer achterom. De stad verdween tussen de heuvels, maar iets van haar bleef bij me — het gevoel van een plaats waar tijd niet in jaren wordt gemeten, maar in ademhalingen, in licht, in leven.
