Dag 1 – Aankomst in de stad van zeven heuvels
Na een vroege vlucht uit Amsterdam landde ik rond het middaguur in Lissabon. Al bij het uitstappen voelde ik die typische Zuid-Europese warmte: de lucht was zacht, de zon fel, maar niet drukkend. De taxi reed via brede lanen en met cipressen omzoomde straten naar mijn pension in de wijk Bairro Alto. De chauffeur praatte enthousiast over voetbal, fado en de beste pastéis de nata van de stad, terwijl ik door het raam naar de pastelkleurige huizen keek die langs de heuvels leken te klimmen.
Mijn kamer was klein maar charmant, met uitzicht op een smalle straat waar wasgoed aan de balkons hing te drogen. Na een korte rustpauze trok ik eropuit. Ik wandelde richting de wijk Chiado, waar elegante cafés en boekwinkels elkaar afwisselen. Ik dronk een espresso bij Café A Brasileira, waar ooit Fernando Pessoa zijn gedichten schreef. Zijn bronzen standbeeld zit nog steeds buiten aan een tafeltje, en toeristen maken er gretig foto’s van.
’s Avonds liep ik naar Miradouro de São Pedro de Alcântara, een uitkijkpunt met uitzicht over de stad en het kasteel van São Jorge aan de overkant. De zon zakte langzaam achter de heuvels en de lichten van de stad gingen aan. Ik at in een klein restaurant in de buurt, waar ik bacalhau à brás bestelde – een gerecht van kabeljauw, ei en aardappel. Het was simpel maar heerlijk, en met een glas vinho verde erbij voelde ik me meteen thuis in deze stad.
Dag 2 – Alfama en het kasteel van São Jorge
Ik begon de dag met een rit in tram 28, de beroemde gele tram die piepend en krakend door de smalle straatjes rijdt. Het was nog vroeg, dus het was niet te druk. Terwijl de tram zich omhoog werkte door de bochten, keek ik mijn ogen uit: betegelde gevels, kleine kruideniers, vrouwen die hun ramen lapten, kinderen die naar school renden.
Ik stapte uit bij Alfama, de oudste wijk van Lissabon. De steegjes kronkelden omhoog, en soms kwam ik in doodlopende straatjes terecht waar katten lui in de zon lagen. Vanaf de muren van het Castelo de São Jorge had ik een panoramisch uitzicht over de Taag. De stad lag aan mijn voeten, wit en rood en blauw tegelijk.
Ik lunchte op een terras met uitzicht over de rivier: gegrilde sardientjes, brood, olijven en een karaf witte wijn. Een oude muzikant speelde zacht fado op zijn gitaar, zonder woorden, alleen melodie. Het klonk weemoedig en toch warm.
In de namiddag dwaalde ik verder door Alfama. Ik raakte in gesprek met een vrouw die haar raam had openstaan; ze vertelde dat ze hier al haar hele leven woonde, “voordat de toeristen kwamen”. Ze wees me de weg naar een kleine taverne waar die avond live fado werd gezongen. Ik ging erheen. De kamer was klein, verlicht door kaarsen. Een vrouw met donkere ogen zong met een intensiteit die kippenvel gaf. Ik begreep de woorden niet allemaal, maar ik voelde ze des te meer.
Dag 3 – Belém en de smaak van traditie
Vandaag ging ik met de trein richting Belém, een wijk ten westen van het centrum. De dag begon met een strakblauwe lucht en een lichte zeebries. Mijn eerste stop was het Jerónimos-klooster, een meesterwerk van Manuelijnse architectuur. De kloostergang was zo prachtig dat ik er een uur bleef dwalen – de stenen bogen, de stilte, het zachte licht dat door de bogen viel.
Daarna liep ik naar het Monumento dos Descobrimentos, het monument voor de Portugese ontdekkingsreizigers. Vanaf het platform keek ik uit over de Taag, waar boten voeren richting de oceaan. Even verderop stond de Torre de Belém, klein maar indrukwekkend.
En natuurlijk kon ik Belém niet verlaten zonder een pastel de nata bij de beroemde bakkerij Pastéis de Belém. De rij was lang, maar het wachten waard. De warme custardtaartjes, krokant van buiten en romig van binnen, met een snufje kaneel, smaakten werkelijk hemels.
’s Middags bezocht ik het MAAT – het moderne kunstmuseum aan de rivier. De architectuur alleen al was de moeite waard. Op het dak liep ik in de wind met uitzicht op de brug van 25 April, die als een rode streep de horizon doorkruiste.
Terug in de stad at ik die avond in een restaurant in Cais do Sodré. De sfeer was jong, levendig, bijna boheems. Ik bestelde octopus met aardappelen en proefde een lokale witte wijn. Aan de bar raakte ik aan de praat met een stel uit Porto, die me tips gaven voor een volgende reis.
Dag 4 – De wijken Bairro Alto en Chiado
Na drie dagen flink wandelen besloot ik vandaag wat rustiger aan te doen, maar Lissabon laat dat eigenlijk niet toe. Overal zijn trappen, heuvels en uitzichten die je toch weer verleiden om verder te lopen.
In de ochtend bezocht ik de wijk Chiado. Ik liep langs oude boekwinkels en traditionele cafés, en stapte binnen bij Bertrand, de oudste boekwinkel ter wereld. Ik kocht een kleine dichtbundel van Pessoa als souvenir. Daarna dwaalde ik door naar Bairro Alto, dat overdag rustig is maar ’s avonds bruist van het leven.
Ik lunchte op het terras van een klein restaurant, waar ik caldo verde kreeg, een Portugese soep met kool en worst, vergezeld van vers brood. De serveerster sprak nauwelijks Engels, maar haar glimlach zei genoeg.
’s Middags bezocht ik het Elevador de Santa Justa, een smeedijzeren lift die de lagergelegen Baixa verbindt met Chiado. Van bovenaf had ik een prachtig uitzicht over de daken van de stad. De zon scheen fel, en ik bleef een tijdje staan om alles in me op te nemen: de geluiden, de kleuren, de geur van koffie en zee.
Die avond at ik bij een klein restaurant waar ik arroz de marisco bestelde – een Portugese variant van paella. Er zat een groep lokale jongeren aan de tafel naast me, die spontaan begonnen te zingen. Het was geen georganiseerde fado, maar puur plezier. Ik voelde me even onderdeel van de stad.
Dag 5 – Dagtrip naar Sintra
Vandaag nam ik de trein naar Sintra, een sprookjesachtig stadje op een uur van Lissabon. De treinrit was rustig en de lucht vulde zich langzaam met wolken – een aangename afwisseling na zoveel zon.
Sintra ligt tussen de heuvels en staat vol paleizen en tuinen. Ik bezocht eerst het Palácio da Pena, dat met zijn kleurrijke torens en bizarre vormen bijna iets uit een droom leek. Daarna wandelde ik door de bossen naar Quinta da Regaleira, een mystiek landgoed vol grotten, fonteinen en verborgen trappen. Het was alsof ik door een ander tijdperk liep.
’s Middags at ik in het centrum een sandwich met gegrilde kip en proefde ik de lokale specialiteit travesseiros de Sintra, een zoet bladerdeeggebakje met amandel en ei. De lucht klaarde op en de zon brak door toen ik terugkeerde naar het station.
Terug in Lissabon voelde ik me vermoeid, maar voldaan. Sintra had iets magisch, iets dat moeilijk in woorden te vangen is.
Dag 6 – De moderne kant van Lissabon
Vandaag ontdekte ik het moderne Lissabon, rond Parque das Nações, het gebied dat voor de Expo ’98 is gebouwd. De wijk voelde als een andere wereld: brede boulevards, moderne gebouwen en een uitzicht op de immense Vasco da Gama-brug.
Ik bezocht het Oceanário de Lisboa, een van de grootste aquaria van Europa. Vooral de enorme centrale tank, met een mantarog die langzaam rondzweefde, maakte indruk. Daarna wandelde ik langs de rivierpromenade, waar joggers, gezinnen en straatartiesten de sfeer bepaalden.
’s Middags zat ik op een terras met een bica (espresso) en keek ik naar de kabelbaan die over het water gleed. Het was een kant van Lissabon die ik nog niet kende – modern, open, vol licht.
’s Avonds keerde ik terug naar Bairro Alto voor mijn laatste diner in de stad. Ik koos een klein restaurant waar de tafels dicht op elkaar stonden en waar de kok zichtbaar plezier had in zijn werk. Ik at polvo à lagareiro (octopus met olijfolie en knoflook) en dronk een glas rode wijn uit de Dourovallei.
Dag 7 – Laatste ochtend en afscheid
Mijn laatste ochtend begon met het geluid van de straat beneden: rammelende trams, stemmen, het gerinkel van kopjes. Ik liep nog één keer door Chiado, kocht een pastel de nata en een koffie en ging zitten op een bankje met uitzicht over de Taag.
De stad was wakker, maar nog rustig. Ik dacht terug aan de week: de steile straten, de geur van vis en koffie, de melancholie van fado, de warmte van de mensen. Lissabon had iets in mij geraakt – misschien die combinatie van licht en melancholie, van oud en nieuw, van leven en herinnering.
Toen het vliegtuig die middag opsteeg en de stad langzaam onder me verdween, wist ik dat dit geen afscheid voor altijd was. Lissabon heeft de gewoonte om mensen te laten terugkomen. En ik zal er één van zijn.
